Adolescentengedrag: De slinger

Een natuurkundedocent begint de les met een vraag. “Welke factoren zijn van invloed op de frequentie van een slinger? Gewicht of lengte?” Hij laat vervolgens twee slingers zien. Een korte, zware slinger die snel heen en weer zwaait en een lange, lichte slinger die langzaam heen en weer zwaait. 

 

Karel krijgt de beurt en zegt: “Een korte slinger met een zwaar gewicht zwaait sneller dan een lange slinger met een licht gewicht.” 

Minoes steekt haar vinger op en vraagt: “Maar hoe zit dat dan met een korte slinger met licht gewicht en een lange slinger met een zwaar gewicht?” 

 

Karel zit in de concreet-operationele fase en kan laten zien dat hij oorzaak en gevolg herkent. Hij herkent de samenhang tussen de frequentie van een zware/korte slinger en een lange/lichte slinger. Het probleem is voor hem concreet waarneembaar. Echter heeft hij niet het idee, dat het gewicht helemaal niet belangrijk zou kunnen zijn. Hij baseert zijn oordeel op de situatie zoals ze zich voordoet. 
Minoes vermoedt, dat er meer aan de hand is en vraagt naar meer experimenten. Zij bevindt zich al in de formeel-operationele fase. Ze kan zich los maken van de geobserveerde casus en plaatst deze in een grotere context. Ze wil lengte en gewicht niet alleen op twee manieren combineren maar op vier. Ze heeft een hypothese die ze empirisch wil onderzoeken. Ze concentreert zich niet alleen meer op de gegevens die ze aangegeven krijgt door de docent, maar abstraheert uit observaties mogelijke factoren van invloed. Aansluitend bedenkt ze combinaties van deze factoren die ze vervolgens onderzoeken wil. Deze abstracte manier van denken is pas mogelijk in de formeel-operationele fase. 

Maak een Gratis Website met JouwWeb